Sint Petersburg, de stad waarvan het driehonderdjarig bestaan dit jaar uitgebreid wordt gevierd is een in de Russische literatuur veelvuldig bezongen stad. Een van de eerste belangrijke dichtwerken over Petersburg - 'la fenêtre par laquelle la Russie regarde en Europe'- was van Alexander Poesjkin (1799-1837): in zijn versvertelling De bronzen ruiter voert hij de figuur van Peter de Grote ten tonele, de stichter van Petersburg.
En hij, hij dacht:
Vanhier zal men de Zweed belagen; Hier zal een stad ontstaan wier pracht De trotse nabuur zal mishagen. Natuur beschikt dat wij een raam Hier naar Europa openslaan En vaste voet aan zee gewinnen. Hier komen, door hun koers verrast, Al 's werelds vlaggen eens te gast, En halen wij ze feestlijk binnen. |
Ook in het werk van Anna Achmatova, de grande dame van de
Russische dichtkunst van de
twintigste eeuw figureert de stad veelvuldig.
Gedichten over Petersburg |
![]() |
1
Weer is Isaaks koepeltoren In een zilver waas gehuld. 't Paard van Peter staat bevroren In een dreigend ongeduld.
IJzig gure winden vlagen,
2
'k Sla mijn ogen neer en zie je
Omdat wij zijn saamgekomen
Hoef 'k niet langer meer te wachten,
Jij bent vrij en ik ben vrij, |
![]() omslag: Bureau Piet Gerards |
En van Osip Mandelstam zijn de Petersburgse strofen:
|
Langs 't geel van het senaatsgebouw gaan witte,
Gejaagde vlokken warrelend dooreen, Een advocaat gaat in zijn slede zitten En slaat zijn mantel zwierig om zich heen.
De schepen overwinteren. Al krachtig
En boven de Neva de ambassade,
Een noordelijke snob heeft veel te dragen -
De jollen scheppen water, langs de kade
De stroom verkeer wordt door de mist verzwolgen; | ![]() |